|
De Beagle is een ideale huishond. Het gezin
is zijn roedel en hij is erg lief voor kinderen. De Beagle
is klein en handzaam, zachtmoedige, evenwichtig qua karakter
en een vrolijke en ondeugende rakker.
Thuis ontpopt hij zich als een heerlijke 'vrijkous' lief
voor iedereen, maar buiten toont hij zich 'jachthond' en
raakt in zijn element als hij tijdens een wandeling vol
overgave snuffelend een 'spoor' volgt. Omdat hij vanouds als
meutehond erop gefokt is het te schieten wild zonder hulp
van de mens binnen te halen, bezit de Beagle een grote mate
van zelfstandigheid, wat wij ervaren als een behoorlijke
portie eigenwijsheid. Hij moet dus zeer consequent opgevoed
worden.Door deze karaktertrekken is de Beagle een moeilijk
op te voeden hond en is het aan te bevelen een
gehoorzaamheidstraining met de Beagle te volgen zodat zijn
baas kan leren op een juiste manier met zijn hond om te
gaan. Ook heeft de Beagle graag veel aandacht en vraagt dit
dan ook van zijn baas. Door zijn vrolijke karakter is hij
altijd in voor een spelletje. Een bak gevuld met touwknopen,
spijkerbroekpijpen, doeken, tennisballen en toiletrolletjes
zijn vaak zijn favoriete speelgoed. |
|
Typische kenmerken
Een vrolijke Brak wiens wezenlijke functie jagen is, vooral
op hazen, wiens spoor hij volgt. Driest, erg actief, met
veel uithoudingsvermogen en vastberadenheid. Waakzaam,
intelligent en van gelijkmatig temperament.
Algeheel beeld
Een forse en compact gebouwde Brak, die de indruk wekt van
kwaliteit zonder grofheid.
Temperament
Lief en oplettend, zonder agressie of angst.
Hoofd en schedel
Hoofd tamelijk lang, krachtig, maar niet grof, iets fijner
bij een teef, zonder frons en rimpels. Schedel licht
gewelfd, matig breed, met geringe achterhoofdsknobbel (1).
Stop goed (2) afgetekend, deze verdeelt de afstand tussen
neuspunt en jachtknobbel zo gelijk mogelijk. Voorsnuit niet
puntig, lippen goed hangend. De neusspiegel breed, het
liefst zwart, maar iets minder pigmentatie bij lichter
gekleurde honden is toegestaan. Wijde neusgaten.
Ogen
Donkerbruin of hazelnootkleurig, tamelijk groot, niet
diepliggend, niet uitpuilend, goed uit elkaar geplaatst, met
een zachte aantrekkelijke uitdrukking.
Oren
Lang met afgeronde punten: naar voren getrokken bijna tot de
neuspunt reikend. Laag aangezet, fijn van structuur,
gracieus en dicht tegen de wang gedragen.
Mond
De kaken moeten sterk zijn, met een perfect, regelmatig en
volledig schaargebit; de boventanden moeten sluitend over de
ondertanden heen vallen en recht in de kaken staan.
Hals
Voldoende lang om de Brak in staat te stellen zijn hoofd
gemakkelijk naar de grond te brengen om het spoor te volgen,
licht gebogen met weinig keelhuid.
Voorhand
Schouder (4) goed naar achter hellend, niet beladen.
Voorbenen recht en goed onder de hond geplaatst, met goede
substantie, en rond van bot. Niet versmallend naar de voet.
Middenvoeten (5) kort. Stevige ellebogen (6), noch naar
binnen, noch naar buiten draaiend. Hoogte van grond tot
ellebogen ongeveer de helft van de schofthoogte.
Lichaam
Bovenlijn recht en horizontaal. Borst (7) daalt tot onder de
elleboog. Ribben goed gerond en ver naar achter doorlopend,
kort in rug, maar goed in verhouding. Krachtige, soepele
lendenen (8), de buik niet te veel opgetrokken.
Achterhand
Dijen zeer gespierd. Sprongen goed gebogen. Sterke, laag
geplaatste hakken (9) en evenwijdig aan elkaar ge- plaatste
middenvoeten.
Voeten
Gesloten en krachtig. Goed gebogen tenen en sterke
zoolballen. Geen hazenvoeten. Nagels kort.
Staart: Stevig en van matige lengte. Hoog aangezet en
vrolijk gedragen (10) maar niet over de rug gekruld of vanaf
de staartwortel naar voren gebogen. Goed met haar bedekt,
vooral aan de onderzijde.
Gang
Gaat met rechte rug; krachtig gangwerk, zonder neiging tot
rollen. Vrije, ver uitgrijpende en recht naar voren gerichte
pas, zonder hoge knie actie. Achterbenen tonen stuw- kracht.
De voorbenen mogen niet maaien of kruisen.
Vacht
Kort, dicht en bestand tegen het weer.
Kleur
Iedere erkende Brakkenkleur, behalve de leverkleur.
Staartpunt wit.
Gewicht en maat: De schofthoogte mag niet meer dan 16 inches
(40,5 cm) of minder dan 13 inches (33 cm.) zijn.
Opmerking
Mannelijke dieren moeten twee normaal ontwikkelde testikels
bezitten die volledig in het scrotum moeten zijn ingedaald.
|